De kortgedingrechter van de rechtbank Oost-Brabant had kortgeleden de eer om een van de eerste gerechtelijke uitspraken te doen op basis van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het betrof hier een kortgeding waarbij twee betrokkenen de gemeente Bladel hadden verzocht om de vernietiging van hun persoonlijke gegevens. Zij baseerden dit verzoek op de inmiddels uit werking getreden Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

De door betrokkenen gewraakte gegevens bestonden onder andere uit een document over malafide hondenhandelaren van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (R.I.E.C.) en een overzicht van verdachten in een draaiboek. De gemeente Bladel had het verzoek in eerste instantie afgewezen, waarop betrokkenen besloten om tegen deze afwijzing bezwaar te maken en een kortgeding in te stellen bij de rechtbank.

Standpunten

Volgens de betrokkenen waren de gegevens in het draaiboek en de verdachtenlijst aantoonbaar onjuist. Zo was bij de naam van de betrokkene een onjuist adres genoemd en stonden er namen op de lijst van mensen die geëmigreerd waren toen de lijst werd opgesteld. Ook gaven betrokkenen aan nooit in honden te hebben gehandeld, waardoor zij niet op deze lijst hoorde te staan.

De gemeente Bladel stelde zich daartegen op het standpunt dat de lijst van een derde partij – het R.I.E.C. – afkomstig was en dat de gemeente daardoor niets kon zeggen over de manier waarop de persoonlijke gegevens van de betrokkenen zijn verwerkt. Ook werden deze documenten gebruikt in een andere gerechtelijke procedure tussen de gemeente en betrokkenen op basis van de Wabo.

Afweging

Hoewel betrokkenen het verzoek hadden ingediend op basis van de inmiddels uit werking getreden Wbp, moest het verzoek volgens de voorzieningenrechter worden gezien als een verzoek op basis van artikel 17 lid 1 van de AVG. Het zogenaamde ‘recht op vergetelheid’. Dit artikel garandeert het recht van een betrokkene om – op verzoek – zonder onredelijke vertraging persoonlijke gegevens van de betrokkene te verwijderen.

Op grond van de inmiddels uit werking getreden Wet bescherming persoonsgegevens kon een verzoek tot verwijdering van gegevens worden ingediend. Deze moest uitgevoerd worden wanneer de gegevens feitelijk onjuist waren, het doel van verwerking onvolledig of irrelevant was of de gegevens werden verwerkt in strijd met een wettelijk voorschrift. De gedraging van diegene die de gegevens onder zich had hoefde niet onrechtmatig te zijn. Het recht op het wissen van gegevens op basis de AVG is echter beperkter en in veel gevallen enkel mogelijk als verwerking daadwerkelijk onrechtmatig is op grond van de AVG.

Het inroepen van een vergetelheidsverzoek op basis van de AVG is niet onbeperkt. Zo dient een verzoek te worden afgewezen indien gegevensverwerking noodzakelijk is voor de vrijheid van meningsuiting en informatie, voor de vervulling van een taak in algemeen belang, de archivering van gegevens in het algemeen belang of ter onderbouwing van een rechtsvordering.

Omdat de partijen het erover eens waren dat de lijst als mogelijk bewijsstuk zou worden gebruikt in een andere procedure tussen de gemeente en de betrokkenen, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat dit kan worden gezien als het onderbouwen van een rechtsvordering. De rechter ging er bij zijn oordeel van uit dat de betrokkenen in de andere procedure de gelegenheid zouden krijgen om de juistheid van de gegevens ter discussie te stellen. Om die reden wijst hij het verzoek van de betrokkenen om een voorlopige voorziening af.

Concluderend

Deze uitspraak van de voorzieningenrechter toont aan dat het recht op vergetelheid van betrokkenen niet onbeperkt is en dat men ook hier aan grenzen is gebonden. Zo kan dit recht niet worden ingeroepen tegen gegevens die worden gebruikt in juridische procedures.

 

Bron: ECLI:NL:RBOBR:2018:3609


    Plaats een vraag of opmerking

    Er zijn geen resultaten gevonden.

    Cookievoorkeuren